Terug
 

Schrijf de goede vorm van het werkwoord op in de zin [2]

Schrijf de goede vorm van het werkwoord op in de zin [2]

 
 

Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes. Gebruik de verleden tijd.
 

 

Sven brandde zijn vinger aan de hete pan. (branden)